De ervaring als vindplaats van God

september 17, 2026

‘Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden? Eeuwige God, wij willen U zien: geef ons vandaag een teken van liefde.’

Mijn spirituele zoektocht is begonnen toen ik zestien jaar was en door het plotse overlijden van mijn vader de grote levensvragen brutaal in het gezicht gesmeten kreeg. Nu, meer dan een halve eeuw later, is voor mij ‘God’ een evidentie geworden, ten minste als ‘God’ niet vastgepind wordt op een welbepaald antropomorf beeld waaraan Hij zou moeten beantwoorden. Met open ogen kijkend naar de wereld, ervaar ik het mysterie van het ‘zijn’ en het ‘worden’. Achter, boven, onder, diep verscholen: hoe je het ook noemen wil, als je even na- en doordenkt, moet je wel erkennen dat er meer is dan wat wij met onze zintuigen en onze rede kunnen ervaren. Dat ‘meer’ noem ik God en kwalificeer ik als een fundamentele verbondenheid waarvan ook ik deel mag uitmaken, maar waarvan ik de draagwijdte onmogelijk kan (be)vatten of (be)grijpen. De oneindigheid in tijd en ruimte past nu eenmaal niet in mijn hoofd. En met het kwaad in de wereld kan ik al helemaal niet overweg en zal ik ook nooit overweg kunnen. Ik troost me in mijn onvoltooide zoektocht met de gedachte: ‘Wie het antwoord op de levensvragen heeft gevonden, heeft slecht gezocht.’

Met de goddelijke realiteit voel ik mij verbonden en daarbij wend ik mij tot beelden die mij uit de traditie aangereikt worden. Het sterkste beeld voor de verbondenheid is wel de ‘liefde’. En voor die liefde vind ik dan weer geen beter beeld dan dat van vader-moeder. Ik ben zelf kind en tegelijk vader van drie kinderen en ervaar die liefde als het mooiste en zuiverste wat er is. Als ouder wil je voor je kind alles doen, maar ben je tegelijk beperkt o.a. door de vrijheid die je aan je kinderen geeft. 

De verbondenheid ervaar ik in de traditie, in de geschiedenis, in de natuur. In dat alles vind ik ‘God’, of beter: word ik door Hem gevonden. Ik ben deel van een groter geheel, dat ervaar ik dag na dag in ‘duizend, duizend dingen’. In Jezus van Nazareth bespeur ik in de allerzuiverste vorm de liefde die er kan zijn tussen mensen onderling. In de mate dat de (katholieke) kerk haar woorden en daden in een steeds nieuwe context tot leven brengt, voel ik mij daar thuis. Katholiek betekent voor mij: gericht op het Verbond en de verbondenheid. Dat is trouwens de betekenis van kat-holiek: kat-holos, gericht op het geheel en het heil. En ja, ik voel me ook goed in de rooms-katholieke traditie, met haar vele beelden en heiligen, op voorwaarde dat ze niet tot afgoderij of magie en bijgeloof leiden, maar wel doorverwijzen naar de goddelijke verbondenheid en mij iets laten voelen van de bevrijdende kracht die uitgaat van het geloof in die goddelijke verbondenheid. Ik ervaar de goddelijke en menselijke Liefde als heilbrengend. Dat is fundamenteel anders dan geloven dat God (al dan niet via Jezus of heiligen) op een quasi mechanische en zelfs arbitraire wijze tussenbeide zou komen in het leven van de mens. God is in mijn ervaring geen externe bovennatuurlijke kracht die het kwaad en het lijden wegneemt. Ik geloof wel dat waar mensen het kwaad en het lijden willen wegnemen of verzachten, God werkzaam is. Ubi caritas et amor, Deus ibi est: waar zorg en liefde zijn, dáár is God. Dat is mijn ervaring. En ik denk dat dit ook de kern is van de ervaring van mensen die met mensen als Jezus van Nazareth in aanraking kwamen en komen: in Hem is liefde, in Hem is God. Tijdens eucharistie- en gebedsvieringen beleef ik in het moment van de communie op een heel sterke manier de verbondenheid met mensen en met Jezus Christus. Het herdenken van zijn zelfgave is voor mij dé vindplaats van het nieuwe, altijddurende verbond tussen God en mens. Daar vind ik telkens weer de inspiratie om zelf ook vindplaats van God te zijn.

Paul Vereecke (GCL Mechelen, ‘De Eerste Ronde’)

Gerelateerd

Geen Resultaten Gevonden

De pagina die je hebt opgevraagd, kon niet worden gevonden. Probeer je zoekopdracht te verfijnen of gebruik de navigatie hierboven om het bericht te vinden.